Leopold Mozart heeft heel systematisch alle mogelijke situaties, problemen en vragen weergegeven in regels en alle regels heeft
hij voorzien van voorbeelden. Hierdoor is het een heel helder naslagwerk geworden. Niet alleen hoofdstuk vier, maar het hele boek.
Zoals ik in het begin van hoofdstuk twee al liet merken, is dat voor gevorderde strijkers misschien overbodig. Maar voor een
beginneling is het heel fijn om alles op een rijtje te hebben, uitgesplitst per paragraaf. Zo kun je bij twijfel alles nazoeken.
Blijkbaar was het ook nodig om alles zo expliciet te noteren, in zijn lespraktijk ondervond Mozart dat lang niet iedereen de
conventies kende.
Verder is het natuurlijk ook voor ons, musicologen, erg prettig om zo'n uitgebreide, systematische en heldere verhandeling uit die
periode zelf tot onze beschikking te hebben. Mozart heeft niet alleen over de streek geschreven, maar over bijna alles wat een
violist moet weten en kunnen. Geschiedenis van de muziek en van de viool, theorie, versieringen, vibrato… Bijna alles, zoniet
alles, heeft hij beschreven. Daardoor weten wij nu wat rond 1760 de conventies waren.
Maar… De afstreekregel mocht dan wel conventie zijn, er werd ook tegen geageerd. Geminiani is hiervan een beroemd voorbeeld.
Boyden schrijft dat je Geminiani’s houding op twee manieren kunt zien: als opstand van een individuele artiest tegen de
status quo van de conventie, of als een deel van een grotere strijd tussen Franse muziek en Italiaanse in de achttiende eeuw.
Mozart behoorde tot het Franse kamp en Geminiani tot het Italiaanse.
Wat Mozart schrijft over de streektechniek is voor een groot deel te herleiden tot logische gevolgtrekking van de hoofdregel.
Toch is het goed dat hij verschillende situaties expliciet beschrijft, zodat je in geval van twijfel zijn boek erop kunt naslaan.
Dat geldt niet alleen voor de leerling uit de achttiende eeuw, maar ook voor de huidige musicus die muziek uit die tijd zo
authentiek mogelijk wil uitvoeren. En voor musicologen die conventies uit verschillende tijden willen vergelijken, om maar iets
te noemen.
Het is leuk om te merken dat veel van de regels die hij geeft, vandaag de dag nog steeds heel gangbaar zijn. Beroepsmusici moeten
alles even goed op- als afstreek kunnen spelen, maar er zijn altijd bepaalde voorkeuren en gebruiken die we bij Mozart ook nog
zien. Een opmaat (aan het begin van een stuk, maar ook noten die als opmaat voor een volgende tel dienen) worden nog altijd het
liefst opstreek gespeeld. Zware maatdelen worden ook nog steeds het liefst afstreek genomen (misschien vooral bij amateurs), maar
niet zo extreem als bij Mozart. Wat ik al schreef: tegenwoordig hernemen we liever iets minder en spelen we wat vaker noten los
onder één boog.
Hopelijk kan mijn integrale vertaling/transcriptie van hoofdstuk vier andere studenten tot hulp zijn bij het lezen van de oude
facsimile’s.