Hoofdstuk Twee: Wat Leopold Mozart schreef over streektechniek

Leopold Mozart begint het hoofdstuk met uit te leggen waarom de regels die hij beschrijft belangrijk zijn. Hij definieert een melodie als een voortdurende afwisseling en vermenging van hoge, lage, snelle en langzame tonen, uitgedrukt in noten die je binnen een bepaalde tijd moet spelen. En daarom, zegt hij, zijn er ook regels nodig die de violist leren hoe hij de strijkstok moet gebruiken. "Door een regelmatige streek worden de lange en korte noten met gemak en op een geschikte manier gespeeld." Aldus Mozart in zijn inleidende paragraaf.

In de derde paragraaf geeft hij, na een voorbeeld in paragraaf twee, meteen de hoofdregel: de eerste noot van een maat die met een noot begint (en dus niet met een rust) moet liefst altijd afstreek gespeeld worden. Het maakt daarbij niet uit of het een twee- of driedelige maatsoort is of dat je dan misschien twee keer de afstreek achter elkaar krijgt. Dit wordt uitgelegd aan de hand van voorbeeld twee:
voorbeeld 2, paragraaf 3
Voorbeeld 2


In de daaropvolgende paragraaf vermeldt Mozart dat je in tweedelige maatsoorten liefst ook op het nevenaccent afstreek moet uitkomen. Hoe je je streek zó kan inrichten dat dat ook lukt, wordt in heel hoofdstuk vier uit de doeken gedaan. Verschillende specifieke situaties en maatsoorten worden met voorbeelden besproken. Hiervoor verwijs ik u graag door naar de integrale vertaling c.q. transcriptie in hoofdstuk vier van dit werkstuk.

Mozart vervolgt zijn uitleg over maten die met een achtste, zestiende of tweeëndertigste rust beginnen. Is de rust het begin van de tel, dan krijgt de noot daarna een opstreek, schrijft Mozart. Dat is volgens mij eigenlijk niets meer dan een logisch vervolg op de afstreekregel. Als er geen rust had gestaan, had je de noot op die plek afstreek gespeeld en de volgende (in dit geval na de rust) opstreek. Zo kom je altijd weer afstreek uit op de volgende tel of anders in elk geval aan het begin van de volgende maat. Je zou zelfs nog verder kunnen gaan: deze situatie biedt na de rust een noot die als het ware een opmaat is voor de volgende tel waarop je afstreek wil uitkomen. Dan neem je die "opmaat" dus met een opstreek. Het is natuurlijk maar hoe je het bekijkt. Echter gezien de afstreekregel, is deze "regel" van Mozart natuurlijk niet zo raar. Het is heel goed dat hij dergelijke zaken expliciet uitlegt, zo weten beginners meteen waar ze aan toe zijn. Maar gevorderde musici kunnen het ook zelf wel bedenken.

Nog even terug naar de afstreekregel. Geminiani, al even genoemd in de inleiding, schreef zijn boek bijna 30 jaar eerder dan Mozart. Hij zegt daarin heel duidelijk dat de leerling de loopjes zó moet oefenen, dat hij ze zowel op- als afstreek evengoed kan spelen. Dit is toch wel een verschil met Mozart, die hierin ouderwets is, maar op andere punten juist modern4. Veel van Mozarts streken zijn nog heel gangbaar. Maar aan de andere kant: tegenwoordig moeten musici op- en afstreek zó goed beheersen, dat het inwisselbaar is.

Nadat Mozart heeft uitgelegd hoe je moet strijken als het eerste deel van een tel een rust is (voorbeeld vier), vervolgt hij met de regels voor als een rust een hele tel bestrijkt. Zie hiervoor voorbeelden vijf en zes. Voorbeeld zes staat bij de uitleg over dezelfde situatie in een alla breve maatsoort. Mozart splitst het dus helemaal uit. Ook paragraaf acht met voorbeeld negen is een expliciete uitleg van een regel die een logische gevolgtrekking is van de hoofdregel. "De tweede en de vierde tel", zo staat in die alinea, "worden meestal opstreek gespeeld, voor als de eerste of derde tel een kwartrust is". Dit gaat dus over de zware maatdelen in een vierkwartsmaat.

De regel die Mozart in paragraaf negen presenteert, namelijk dat elke tel die uit twee of vier gelijke noten bestaat afstreek begonnen moet worden ongeacht de maatsoort, zouden wij nu misschien minder vaak toepassen dan de vorige regels die uit de hoofdregel zijn voortgevloeid. Het betekent namelijk dat je heel vaak moet hernemen. Nu zouden violisten (en ook cellisten) misschien minder hernemen en wat vaker twee noten in één opstreek spelen, maar dan wel gescheiden gearticuleerd. Dit dient om wel regelmatig op een zwaar maatdeel afstreek uit te komen, maar dit niet elke tel te hoeven realiseren. (Zie hierbij voorbeeld acht.) In paragraaf tien geeft Mozart zelf een alternatief, voor het geval dat het tempo hoog is.

De paragrafen elf tot en met vijftien (en de voorbeelden tien tot en met veertien) handelen over gepuncteerde noten en de bijbehorende streken. Staat er in één tel een figuurtje van twee noten waarvan er één gepuncteerd is, dan hangt de streek af van waar de gepuncteerde noot staat. Is dat de eerste van de twee, dan speel je ze opstreek maar los van elkaar. Is het de laatste, dan speel je ze legato aan elkaar, ook in één opstreek. Zijn het niet twee, maar vier noten in één tel en zijn de eerste en derde gepuncteerd, dan speel je ze allemaal los en krijgt elke noot een eigen streek. Op- en afstreek wisselen elkaar dan steeds af. (Paragraaf dertien, voorbeeld twaalf.) Het kan zijn, dat zo’n hopsafiguur van vier noten begint met een opstreek. In dat geval neem je de eerste twee samen in één opstreek, maar speel je ze wel los. Dit heeft tot doel de streek weer in het gareel te krijgen - Mozart noemt het "weer in Order". Hiermee bedoelt hij dat je op het dichtstbijzijnde hoofd- of nevenaccent weer afstreek uitkomt. Hieronder staat voorbeeld dertien, Mozarts illustratie van een dergelijke situatie.
voorbeeld 13, paragraaf 14
Voorbeeld 13


Maar dit figuur komt ook wel eens andersom voor: de gepuncteerde noot op de tweede en vierde plaats. In dat geval speel je ze twee aan twee gebonden.

Hieruit blijkt wel dat Mozart alle situaties bespreekt die zich voor zouden kunnen doen, inclusief aanverwante gevallen. Hij geeft bij elke regel één of meerdere voorbeelden, om zijn punt nog beter over te kunnen brengen.

Hieronder zal ik niet alle regels bespreken, maar slechts een selectie. Het voert te ver om alles wat in hoofdstuk vier staat ook hier nog uitgebreid te herhalen.

Mozart besprak hiervoor figuren en hun omkeringen, wat ertoe kan leiden dat een andere streek vereist is. In paragraaf zeventien besteedt hij ook aandacht aan een heel ander aspect, namelijk het aantal noten per maat. Bestaat een tel uit drie ongelijke noten, waarvan er één een lange notenwaarde heeft en de andere twee een korte, dan speel je de korte in één streek. Of dat op- of afstreek is, hangt af van de plek in de tel. Daarbij geeft hij ook nog aan dat de articulatie verschilt als de noten van gelijk waarde zijn of als één van de twee gepuncteerd is. Ook hier kan het figuur ritmisch omgekeerd worden. Dat bespreekt hij dan ook in paragraaf achttien en negentien.

In paragraaf 21 tot en met 27 komt de syncope aan bod. Komt een zelfde figuur vaker achter elkaar voor, dan trek je je niets aan van eerdere regels en speel je alles steeds heen en weer. Bijvoorbeeld zoals in dit stukje:

voorbeeld 22, paragraaf 21
Voorbeeld 22


Je hoeft dus niet op elke eerste noot van de maat afstreek uit te komen. Mij lijkt dat overigens ook niet te doen, omdat je dan onderweg ergens stok te kort komt en je heel snel door de lucht van de punt terug moet naar de slof. Maar dat terzijde. Hij geeft ook hier aanwijzingen voor de uitvoering, zie daarvoor paragraaf 21 in de bijlage. Daarna komen nog aan bod: eventuele aanwijzingen van de componist, een situatie waarin een syncope niet meerdere keren maar slechts één keer voorkomt, syncopes met noten die je niet op één snaar kunt spelen, een syncope die niet met een noot maar met een rust begint en syncopes die worden omarmd door bijvoorbeeld twee zestienden in plaats van één achtste. Daarover schrijft Mozart: "Wanneer er voor en na de noot die men over de tel verdelen moet, twee korte noten staan, dan worden óf de eerste twee óf de laatste twee samen onder één streek ondergebracht"5. De voorbeelden die hij geeft:
voorbeeld 28, paragraaf 26, 1e
Voorbeeld 28


voorbeeld 29, paragraaf 26, 2e
Voorbeeld 29


In paragraaf 28 tot en met 36 besteedt Mozart aandacht aan driedelige maatsoorten. Die vormen een obstakel voor het uitvoeren van de hoofdregel, waardoor er extra regels nodig zijn om de streek weer in het gareel te krijgen - dat wil zeggen: die zo snel mogelijk weer te laten corresponderen met die hoofdregel. Dat is dan ook de reden dat beginners met deze maatsoorten vaak de meeste moeite hebben. In dit verband geeft hij in paragraaf 28 een tweede hoofdregel (zoals Mozart het zelf noemt): "wanneer er in de ongelijke tijdmaat slechts één noot per tel staat, moeten van de drie noten er twee onder één streek genomen worden, vooral als er in de volgende maat snellere noten of noten van verschillende lengte staan." Voorbeeld 31 uit de bijlage dient hier ter illustratie. In paragraaf 29 vraagt hij zich af of je dan de eerste of de laatste twee noten moet samennemen. Hij geeft een vuistregel: staan noten dicht bij elkaar en zijn het dus kleine intervallen, dan speel je ze meestal aan elkaar. Grotere intervallen worden meestal los gespeeld. Verderop geeft hij weer verschillende scenario’s met bijbehorende oplossingen. In het kader van de driedelige maatsoort noemt hij ook de 6/8 en de 12/8 maatsoorten met bijbehorende karakteristieken, ritmische omkeringen en uitzonderingen bij hoge tempi.

In paragraaf 38 bespreekt Mozart hoe je kunt leren maatvast te worden. Daarbij geeft hij ook een oefening op, in mijn nummering is dat voorbeeld 43. In paragraaf 39 tenslotte geeft hij de leraar pedagogische tips en geeft hij de leerling een aantal oefenstukken mee om alle regels onder de knie te krijgen. Dit zijn de voorbeelden 44 tot en met 55.
Laatst bijgewerkt:
dinsdag 22 mei 2007
16:53
Op zoek naar achtergrondmuziek?

Zoekt u een ensemble voor speciale gelegenheden, zoals een receptie, bruiloftsfeest of kerkelijke inzegening, of wilt u live muziek voor tijdens een uitvaart inhuren? Zoekt u een ensemble dat bestaat uit cello en (blok)fluit? Of wilt u een strijkkwartet? Of liever een strijktrio (viool, alt, cello óf 2 violen, alt cello)? Mailt u mij dan via het contactformulier.